Hoe bang moeten we zijn voor IS?

Column

Opeens waren ze er. Niemand zag ze aankomen maar weldra kenden iedereen hun naam. De zomer van 2014 die vooral in de berichtgeving van de media als het jaar van de grote angsten beschreven kan worden. De ebolacrisis, de Israëlisch operatie in de Gazastrook, de crisis in Oekraïne en de opkomst van de Islamitische Staat (IS) kregen stuk voor stuk volop aandacht in de media. Over de impact van deze gebeurtenissen is geen discussie nodig. Maar hoe groot is het gevaar dat je in 2015 door één van deze gevaren om het leven kan komen? De aanslag in Parijs was immers gepleegd door Al-Qaeda en niet IS. Hoewel Amedy Coulibaly claimde de aanslag in de joodse supermarkt voor IS te hebben gepleegd is daar geen bewijs voor.

Er is vooralsnog één aanslag geweest in de westerse wereld die direct te herleiden was tot IS. Op 24 mei schoot de 29-jarige Mehdi Nemmouche vier mensen dood in het Joods Museum van België in Brussel. De man had in 2013 in Syrië gevochten. Of IS deze actie heeft opgedragen of gefinancierd heeft is niet bekend.

Nu hoeft er maar één gek te handelen en een zwarte vlag te laten zien om de hele wereld te overtuigen van het kwaad van IS. Man Haron Monis was een shi’iet notabene. Maar de zwarte vlag, de gijzeling, westerse gegijzelden van Sydney, het ‘frame’ was gemaakt. Vlak voor de gijzeling bekeerde de man zich tot soenniet.

De zogenoemde ‘Hit and Runs’ in Frankrijk rond de kerstdagen passen in het zelfde frame. De daders hadden volgens omstanders tijdens de aanrijdingen in het Arabisch ‘God is Groot’ geroepen (Allahoe Akbar). Echter hadden de daders psychische problemen en handelden niet uit politieke of religieuze motieven , verklaarden de Franse politie. Lijkt alsof deze mannen zich wilden verzekeren van media-aandacht.

Wanneer je deze gebeurtenissen vergelijkt en analyseert, is de angst voor IS dan terecht? Of ligt de oorzaak van de angst voor IS in de berichtgeving? Zoals de onjuiste berichtgeving van de ontslagen Trouw-redacteur die niet bestaande bronnen aanhaalde over een mini-kalifaat in Den Haag.

Deels is de angst voor IS en terugkerende Syriëgangers van eigen nationaliteit terecht. Zij hebben immers gevechtservaring opgedaan en kunnen tijdens dat proces verder geradicaliseerd zijn. Ook door deelname aan de bombardementen tegen IS in Irak is de kans op een aanslag in Nederland vergroot. Toch is de kans dat je in Nederland als slachtoffer van terrorisme door IS om het leven komt, klein, heel klein.

Het doel van IS is om het kalifaat uit te breiden. Daarvoor zijn geen aanslagen in het Westen nodig. Toch kan IS, nu Al Qaeda ze de pr-oorlog heeft verklaard, ook opdrachten geven om aanslagen te plegen in het westen. Grote media-aandacht voor de terroristische organisatie werkt immers als aantrekkingskracht voor nieuwe rekruten. Iets waar beide organisaties niet goed van kunnen hebben.

Nederlandse equivalent van de GIGN. Een kort profiel van de Unit Interventie Mariniers

Na de acties van de antiterreureenheid GIGN (Groupe d’Intervention de la Gendarmerie Nationale) tegen de gijzelnemers in de joods supermarkt in Parijs en de drukkerij in Dammartin-en-Goële was er in Frankrijk alleen maar lof voor de veiligheidsdiensten. In Nederland was er door deskundige ook kritiek op de uitvoering van die acties. Hoe kundig zijn eigenlijk de Nederlandse veiligheidsdiensten?

Fouten

Wie de beelden heeft gezien van de inval in de joodse supermarkt in Parijs door Amedy Coulibaly kan niet anders dan constateren dat het er nogal chaotisch uit zag. Tientallen agenten achter elkaar, dekkend zoekend naar de beste schietpositie. Na de ‘breech’ ging er één agent naar binnen. Normaal werken dit soort eenheden altijd in tweetallen. De een dekt de ander. Amedy Coulibaly rende op de politiemacht af en werd uiteindelijk doorzeefd door een kogelregen. Hoewel er geen gewonden of doden vielen door de antiterreureenheden, zag de actie er niet helemaal gestroomlijnd uit. Van de andere actie bij een drukkerij in een voorstad zijn geen beelden. Wel is bekend dat die actie een kwartier eerder begon. Hoe er en kwartier tussen kan zitten terwijl de gijzelnemers contact met elkaar hebben is onduidelijk.

Antiterreureenheid

Bij terrorisme gerelateerde situaties, gijzelingen, situaties van grof geweld of een andere bijzondere situatie in Nederland, dan heeft de Dienst Speciale Interventies (DSI) de leiding. Deze dienst, sinds 1 juli 2006 opgericht, is het overkoepelende orgaan, ondergebracht bij het Nederlandse Korps landelijke politiediensten (LKPD). De DSI beschikt over een aantal verschillende eenheden met elk hun eigen expertise. Het heeft beschikking over arrestatieteams, ondersteunende diensten zoals sluipschutters en de equivalent van de GIGN, de Unit Interventie Mariniers.

Net als in heel Europa zag Nederland zich genoodzaakt om na het gijzelingsdrama tijdens de Olympische Spelen van 1970 in München , een contra-terreureenheid op te richten. Drie jaar later werden leden van de Korps Mariniers gekozen om de Bijzondere Bijstands Eenheid (BBE) te bemannen. Hun bekendste actie was het beëindigen van de treinkaping bij de Punt in 1977. Sinds 2006 bestaat deze dienst onder de naam van Unit Interventie Mariniers (UIM). Hun taken bestaan uit het uitvoeren van nationale contraterreur acties, maritieme contraterreur acties en ondersteuning bieden aan andere onderdelen van de Dienst Speciale Interventies. Tegenwoordig is de UIM vooral actief in de Golf van Aden bij Somalië. Daar zijn zij, na toestemming van ministers van justitie en defensie, actief in de bestrijding van piraterij.

Hoe deze dienst zich behoudt tegen het extreme geweld en wreedheid, zoals die van de broers Kouachi is niet te voorspellen. De dienst kampt met een gebrek aan personeel door te weinig inzetbaarheid en verouderd materiaal door de aanhoudende bezuinigingen. Mocht er een aanslag zoals die van Parijs in Nederland worden gepleegd dan is dit niet alleen een test voor de Nederlandse Samenleving, maar ook een test voor de Nederlandse antiterreureenheden.

TERRORISMEBESTRIJDING: 5 vragen over het dreigingsniveau terrorisme

1. Wat betekent het dreigingsniveau in Nederland?

Het dreigingsniveau in Nederland is het resultaat van een globale analyse van nationale en internationale terroristische dreigingen tegen Nederland en/of Nederlandse belangen in het buitenland. Het dreigingsbeeld wordt openbaar gemaakt om burgers erop te wijzen van eventuele gevaren en burgers op te roepen om, wanneer het nodig is, alert te zijn en de hulpdiensten in te schakelen.

2. Wie bepaalt het dreigingsniveau?

Vier keer per jaar wordt er uitgebreid onderzoek gedaan van zowel openbare als vertrouwelijke informatie naar reële directe risico’s en dreigingen door de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). Dit onderzoeksrapport genaamd Dreigingsbeeld Terrorismebestrijding Nederland (DTN) wordt samen met eventuele nieuwe beleidsimplicaties verstuurd naar de Tweede Kamer. Er is natuurlijk altijd de kans dat door bepaalde gebeurtenissen, zoals de aanslag in Parijs, er opnieuw gekeken wordt naar het huidige dreigingsniveau en eventuele het niveau wordt aangepast. Deze beslissing ligt bij Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, Dick Schoof. De beslissing ligt bij de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding en niet bij de minister van Justitie om het dreigingsniveau niet politiek te maken.

 3. Welke dreigingsniveau zijn er en aan welke criteria moeten ze voldoen?

Sinds de oprichting van de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) in 2005 kennen we in Nederland vier dreigingsniveaus; minimaal, beperkt, substantieel of kritiek. Bij minimaal is er amper aanwezigheid van terroristische netwerken, nationaal en internationaal. Beperkt houdt in dat Nederland niet of nauwelijks wordt genoemd door terroristische netwerken die ernstig worden belemmerd. Bij het huidig dreigingsniveau, substantieel, is de kans dat er een aanslag in Nederland plaatsvind reëel. Tot slot wordt het dreigingsniveau kritiek toegekend wanneer er “zeer sterke aanwijzingen zijn dat er een aanslag in Nederland zal plaatsvinden of heeft plaatsgevonden.”

4. Welke gevolgen heeft het dreigingsniveau?

Wanneer het dreigingsniveau is vastgesteld wordt er gekeken welke specifieke gevaren zijn gesignaleerd en welke beleidsaanpassingen daarvoor in aanmerking komen. Er bestaat geen vast protocol of draaiboek per type dreigingsniveau. Extremisme kan immers ook vanuit verschillende hoeken komen. Wanneer het dreigingsniveau niet verandert betekent dat niet automatisch dat beleidsaanpassingen ook niet veranderen. De overheid en de daarbij horende diensten kunnen ten alle tijden het beleid van preventie tegen extremisme aanpassen, wanneer zij dit nodig achtten.

5. Waarom worden het dreigingsniveau publiekelijk gedeeld?

Het publiek maken van het dreigingsniveau is om de Nederlandse bevolking te informeren en duidelijk te kunnen maken of het dreigingsniveau is veranderd. Het openbaar maken van het dreigingsniveau heeft niet het doel om als een afschrikmechanisme te functioneren. Door het dreigingsniveau publiekelijk te delen zet de NCTV ook burgers aan om alert en op hun omgeving te letten. Zo zijn er genoeg posters te vinden van wat je moet doen wanneer je een tas zonder eigenaar vindt. Echter worden de meeste maatregelen tegen de dreiging buiten het gezichtsveld van de bevolking getroffen.